West zuid west van Ameland

West zuid west van Ameland, daar ligt een kolkje diep.
Daar vangt men schol en schellevis, maar mooie meisjes niet.

Hoog is de zolder, laag is de vloer, mooi is het meisje, maar lelijk is d’r moer.
Hoog, hoog, hoog ja hoog, de ballast die is droog.
Maar onder op de grond, ja grond, is hij zo nat als stront.
Hoog is de zolder, laag is de vloer, mooi is het meisje, maar lelijk is d’r moer.

Toen’k laatst van Suriname kwam, zag ik van ver een schip.
Ik dacht dat’ aan de wolken hing, maar het zat op een klip.
Hoog is de zolder, laag is de vloer, mooi is het meisje, maar lelijk is d’r moer.

En op die klip daar zat een koe, een wonderbare koe.
Die alle maanden kalv’ren moest, ze was er naar aan toe.
Hoog is de zolder, laag is de vloer, mooi is het meisje, maar lelijk is d’r moer.

Het was een vruchtbaar jaar. Ja, ja! Het was een vruchtbaar jaar.
Dat alle vrouwen kraamden en hij de vader waar.
Hoog is de zolder, laag is de vloer, mooi is het meisje, maar lelijk is d’r moer.