Lied van de zee

Een jochie stond aan’t stille strand, hij tuurde naar de zee.
Zijn hartje zong het mooie lied der zilte golven mee.
De ernst en de bewondering lag op zijn aangezicht.
Zijn ogenpaar weerspiegelde een glimp van’t hemellicht.

De golven, die zongen, kom mee met mij.
Dan heb je de ruimte, dan ben je zo vrij.
De golven, die zongen het lied van de zee.
Ze riepen hem aan en ze lokten hem mee.

Hij sprak: “wanneer ik groter ben, wil ik een zeeman zijn.
Dan word ik op een sprookjesschip een echte kapitein”.
Het jochie dat ging langzaam heen, bezonken en tevree.
Nog eenmaal omziend, sprak hij zacht: ”tot weerzien, lieve zee”.

De golven, die zongen, kom mee met mij.
Dan heb je de ruimte, dan ben je zo vrij.
De golven, die zongen het lied van de zee.
Ze riepen hem aan en ze lokten hem mee.

Na vele jaren koos een schip met Neerlands vlag de zee.
Het nam een jonge frisse borst als lichtmatroosje mee.
Hij wendde eenmaal nog het hoofd en keek naar’t stille strand.
Toen vond zijn blik de grote zee, hij deed zijn woord gestand.

De golven, die zongen, kom mee met mij.
Dan heb je de ruimte, dan ben je zo vrij.
De golven, die zongen het lied van de zee.
Ze riepen hem aan en ze lokten hem mee.
Ze riepen hem aan en ze lokten hem mee.