Kaperslied

Al die willen te kap’ren varen, moet mannen met baarden zijn.
Jan, Pier, Tjoris en Corneel, die hebben baarden, die hebben baarden.
Jan, Pier, Tjoris en Corneel, die hebben baarden, zij varen mee.

Al die ranzige tweebak lusten,moeten mannen met baarden zijn.
Jan, Pier, Tjoris en Corneel, die hebben baarden, die hebben baarden.
Jan, Pier, Tjoris en Corneel, die hebben baarden, zij varen mee.

Al die deftige pijpkens smoren, moeten mannen met baarden zijn.
Jan, Pier, Tjoris en Corneel, die hebben baarden, die hebben baarden.
Jan, Pier, Tjoris en Corneel, die hebben baarden, zij varen mee.

Al die met ons de walrus killen, moeten mannen met baarden zijn.
Jan, Pier, Tjoris en Corneel, die hebben baarden, die hebben baarden.
Jan, Pier, Tjoris en Corneel, die hebben baarden, zij varen mee.

Al die de dood en de duivel niet duchten, moeten mannen met baarden zijn.
Jan, Pier, Tjoris en Corneel, die hebben baarden, die hebben baarden.
Jan, Pier, Tjoris en Corneel, die hebben baarden, zij varen mee.

Al die van vrouwen en brandewijn houden, moeten mannen met baarden zijn.
Jan, Pier, Tjoris en Corneel, die hebben baarden, die hebben baarden.
Jan, Pier, Tjoris en Corneel, die hebben baarden, zij varen mee.