Dat zijn onze Jantjes

Dat zijn onze Jantjes, dat zijn onze Jantjes. Dat zijn de Jantjes met de braniekraag.
De vrolijke buissies en stevige vuissies, die zien onze meiden allemaal even graag.

Als rovers uit de middeleeuwen zien ze er niet uit. JantjesMaar meiden, heus vertrouw ze niet, ze loeren op de buit. Gevaarlijk voor de vrouwen zijn de ridders, nou secuur. ’t Zijn lekkere druiven, nou laat ze maar schuiven, want kom je in d’r kluiven, dan ben je zuur. Wat zijn ze toch bedeesd heb ik gedacht. Maar wolven zijn ’t in een blauwe vacht!

Dat zijn onze Jantjes, dat zijn onze Jantjes. Dat zijn de Jantjes met de braniekraag.
De vrolijke buissies en stevige vuissies, die zien onze meiden allemaal even graag.

D’r is geen een matroos die niet op tijd zijn kerel staat.
D’r is geen een matroos die zich met smoesjes lijmen laat.
Ze voelen zich het heertje in d’r fijn marine blauw.
Ze denken alle rokken, heel gauw te lokken en kletsen van de sokken, elke vrouw.
Maar ’t mooiste is, laveren doen ze niet. Een echte Jan die stoomt altijd full speed!

Dat zijn onze Jantjes, dat zijn onze Jantjes. Dat zijn de Jantjes met de braniekraag.
De vrolijke buissies en stevige vuissies, die zien onze meiden allemaal even graag.

D’r is geen Jan die niet op tijd een hassebassie lust.
D’r is geen Jan die niet op tijd een aardig meissie kust.
En zie je d’r wel ‘ns een die voor een glaassie Fosco zit?
Dat zijn de nieuwerwetse, die laat je maar zwetsen. Die doen niet anders dan kletsen, zonder pit.
Maar een reële toffe stoere jan, dat is een brok graniet! Een echte man.!

Dat zijn onze Jantjes, dat zijn onze Jantjes. Dat zijn de Jantjes met de braniekraag.
De vrolijke buissies en stevige vuissies, die zien onze meiden allemaal even graag.

En wij zien onze meiden allemaal even graag.