Als ik op zee was

Jij wou een zeeman en ik werd een zeeman,
al hield ik nou niet van de zee.
Jij wou me sterk zien en hard aan het werk zien,
in armoe had jij geen idee.

Jij wilde weelde, wist ik dat je speelde
met mij en mijn liefde voor jou.
Jij wilde sparen en ik moest gaan varen,
dat deed ik alleen maar voor jou.

Als ik op zee was, ging jij aan de zwier.
Als ik op zee was, dan had jij plezier.
Als ik op zee was, ging jij aan de drank.
Verbraste mijn spaargeld, dat stond op de bank.

Jij schreef mij brieven, bijzondere lieve
met: “Jongen, hou vol, doe je best.”
‘k Werkte bezeten, geen tijd om te eten,
wist ik dat ik zwaar werd geflest.

‘k Dacht steeds aan later, daarginds op het water.
Ik droomde van jou in mijn huis.
En mijn beloning, geen vrouw en geen woning,
want jij was geen avond meer thuis.

Als ik op zee was, ging jij aan de zwier.
Als ik op zee was, dan had jij plezier.
Als ik op zee was, ging jij aan de drank.
Verbraste mijn spaargeld, dat stond op de bank.

Eens toen ik thuis kwam en gauw naar ons huis kwam,
het schip was die keer iets te vroeg.
Vond ik mijn boekie, ’t lag leeg in een hoekie
en jij zat vanouds in de kroeg.

Jij keek al glazig, beneveld en wazig
en schommelde vreemd op de kruk.
Je noemde me Henkie, maar ik heet Jan-Willem
en toen was mijn droomwereld stuk.

Als ik op zee was, ging jij aan de zwier.
Als ik op zee was, dan had jij plezier.
Als ik op zee was, ging jij aan de drank.
Verbraste mijn spaargeld, dat stond op de bank.