Lokroep van de zee

Meisje, ik ben een zeeman. Een zeeman is heel vaak van huis.
Meisje, ik ben een zeeman, het water, het schip is mijn thuis.

Meisje, ik ben een zeeman. Kun je wel wachten zo’n lange tijd?
Ik ga je voor heel lang verlaten. Veel geluk, het ga je goed, mijn lieve meid.

Meisje, ik ben een zeeman. Kun je wel wachten zo’n lange tijd?
Ik ga je voor heel lang verlaten. Veel geluk, het ga je goed, mijn lieve meid.

Een jochie stond aan’t stille strand, hij tuurde naar de zee.
Zijn hartje zong het mooie lied der zilte golven mee.
De ernst en de bewondering lag op zijn aangezicht.
Zijn ogenpaar weerspiegelde een glimp van ’t hemellicht.

De golven, die zongen, kom mee met mij.
Dan heb je de ruimte, dan ben je zo vrij.
De golven, die zongen het lied van de zee.
Ze riepen hem aan en ze lokten hem mee.
Ze riepen hem aan en ze lokten hem mee.

Op de woelige baren, bij storm en bij wind.
Denkt hij steeds aan zijn blondje, dat vrolijke kind.
Ze leeft in zijn harte, zij zingt in zijn bloed.
Hij hoort nog haar stemme in de eb en de vloed.

Op de woelige baren, bij storm en bij wind.
Denkt hij steeds aan zijn blondje, dat vrolijke kind.
Ze leeft in zijn harte, zij zingt in zijn bloed.
Hij hoort nog haar stemme in de eb en de vloed.

Daar in dat kleine café aan de haven. Daar zijn de mensen gelijk en tevree.
Daar in dat kleine café aan de haven, daar telt je geld of wie je bent niet meer mee.
Daar in dat kleine café aan de haven. Daar zijn de mensen gelijk en tevree.
Daar in dat kleine café aan de haven, daar telt je geld of wie je bent niet meer mee.