Ik wil varen

Als ik zo kijk naar mijn bullen, mijn laarzen
en mijn zuidwester daar tussenin vind.
Als ik mijn kooigoed gepakt daar zie liggen,
ruik ik de zee weer en proef ik de wind!
Als ik mijn kist met het koperen slootje
open gezet heb hier thuis op de vloer,
zie ik mijn huis als een duizendtons bootje
en in gedachten sta ik aan het roer (aan het roer).

Varen, varen, treitert het door mijn kop!
Varen, varen, ‘k hunker naar ‘t ruime sop!
Op de bak en in het vooronder
Of op mijn wacht aan ’t roer op de brug.
Ik wil varen, varen, dan kom ik weer monter terug.

Als ik soms dwaal langs de kaden en havens
en met het bootje de Maas over vaar,
voel ik de deining van ‘t schip in mijn benen
als ik weemoedig de ruimte in staar.
‘k Loer in cafeetjes en waan me in Spanje,
Tokio, Genua of in Port Said,
tot ik op Katendrecht mij weer terug vind,
waar in een kroeg mijn illusie verwaait (verwaait).

Varen, varen, treitert het door mijn kop!
Varen, varen, ‘khunker naar ‘truime sop!
Op de bak en in het vooronder
Of op mijn wacht aan’t roer op de brug.
Ik wil varen, varen, dan kom ik weer monter terug.

Maar op een dag gaan de sluizen weer open
en zal ik zelf bij de trossen weer staan:
Klaar vóór en achter? Een stoot op de stoomfluit,
dan zal de schroef weer door’t zeewater slaan.
“Platvoet” en “Hondewacht” zal ik weer lopen
vóór op de bak naar een vuur op de loer
en voor me uit weer de lonkende verte,
’t oog op de koers en de hand aan het roer, aan het roer.

Varen, varen, treitert het door mijn kop!
Varen, varen, ‘khunker naar ‘truime sop!
Op de bak en in het vooronder
Of op mijn wacht aan’t roer op de brug.
Ik wil varen, varen, dan kom ik weer monter terug.