De vrouw van schipper Kee

Op Wieringen daar woonde de vrouw van schipper Kee.
En ieder die haar beloonde mocht met haar naar benee,
En ieder die haar beloonde mocht met haar naar benee.

Maar eerst werd er gedronken een borreltje of vier,
In zulke grote kruiken vol brandewijn en bier,
In zulke grote kruiken vol brandewijn en bier.

En hadden zij hun dorst gelest maar hun geld was nog niet op,
Dan gingen ze naar beneden al met hun zatte kop.
Dan gingen ze naar beneden al met hun zatte kop.

Maar beneden aangekomen wachtte hun een grote pech,
Daar werden zij geronseld, al hun centen waren weg.
Daar werden zij geronseld, al hun centen waren weg.

Zo voer daar menig zeeman op een zeilschip naar de West,
Omdat ze bij de vrouw van Kee hun dorst hadden gelest.
Omdat ze bij de vrouw van Kee hun dorst hadden gelest.

Op Wieringen daar woonde de vrouw van schipper Kee.
Die haar brood verdiende aan de mannen van de zee.
Die haar brood verdiende aan de mannen van de zee.
Die haar brood verdiende aan de mannen van de zee.
G.Lamerus/J. Huitinga